Home >> Jeugd en Jongeren >> Verhalen >> Rijke mensen
PDF Afdrukken E-mail

Rijke mensen

In een sjieke wijk in Eindhoven woont Fabienne. In een mooi huis, met een zwembad. Fabiennes ouders werken allebei, haar moeder is dokter en haar vader wordt volgend jaar misschien directeur van het bedrijf waar hij werkt. Ze verdienen dus veel geld. Maar Fabienne krijgt van haar ouders niet meer zakgeld dan de meeste andere kinderen in haar klas. Ze vinden dat Fabienne maar een baantje moet zoeken als ze meer geld wil uitgeven. En daarom gaat Fabienne elke week krantjes bezorgen. Want ze is aan het sparen voor een brommer, voor als ze volgend jaar zestien wordt.

Vandaag is het een regenachtige dag. Fabienne slentert door de wijk waar ze de krantjes in de bussen moet stoppen. Ze heeft haar discman op. Kan ze lekker muziek luisteren, anders is het maar saai werk. Van deze buurt word je ook niet vrolijk, denkt ze. Er wonen veel buitenlanders. Oude huizen, smoezelige gordijnen voor de ramen, en de meeste voortuinen kun je geen tuin noemen, daar ligt alleen oude troep. Armoedig zooitje, denkt Fabienne terwijl ze de straat oversteekt, ‘ maar ja, dat heb je met Turken en Marokkanen’. Opeens scheurt er een brommer de hoek om, recht op haar af! Ze kan net op tijd opzij springen maar ze valt en voelt een felle pijn in haar voet. Enkel verzwikt…of misschien nog erger. Daar ligt ze nou…. Er gaat een deur open en een mevrouw rent naar buiten. Fabienne kijkt opeens in een bruin gezicht met verschrikte ogen. ‘Meisje toch! Wat is aan de hand? Jouw voet…jij kan niet lopen. Kom… in mijn huis….’ Voor Fabienne er erg in heeft, zit ze op een gebloemd bankstel met een natte lap om haar enkel en een glaasje mierzoete limonade in haar hand. Ze heeft haar moeder gebeld, maar die kan haar pas over een uurtje komen halen. ‘Geen probleem,’ zegt de mevrouw, ‘jij hier blijven. Kom… binnen is warm. Wij gaan naar buiten.’ Leunend op de arm van de mevrouw hinkt Fabienne door de achterdeur naar buiten. En dan stokt haar adem. Een tuin strekt zich voor haar ogen uit, niet zomaar een tuin….een sprookjestuin lijkt ’t wel. Fabienne weet niet wat ze ziet…..een enorme vijver met waterlelies en een bruggetje, eromheen riet en pluimen, paarse vlinderstruiken en allerlei andere bloeiende planten, wit en rood, zachtroze en felgeel. Een tapijt van groen gras, bezaaid met madeliefjes, en een reusachtige kastanjeboom waaraan een schommel hangt. Ze hoort vogelgefluit en kwakende kikkers, er fladderen vlinders, witte en gele. En er staan bankjes. Op een daarvan zitten twee vrouwen, één met een hoofddoekje om. Het is allemaal zo prachtig, Fabienne kan haar ogen niet geloven….

De mevrouw ziet hoe verbaasd Fabienne is. Ze vertelt hoe het vroeger was: allemaal kleine tuintjes, met muurtjes ertussen. Iedereen z’n eigen plaatsje. Met z’n eigen troep. Lelijk, net als de voorkant. Toen was iemand op ’t idee gekomen om er een tuintje van te maken. En dat wilde z’n buurvrouw toen ook. Ze braken het tussenmuurtje af, want van twee plaatsjes kon je nog iets mooiers maken. En zo was het dus één grote tuin geworden. Van iedereen. ‘En nu,’ zegt de mevrouw, ‘ wij veel meer samen praten.’ Fabienne denkt: ‘Bij ons woont iedereen in z’n eigen mooie huis, maar we zien elkaar bijna nooit…’

De bel gaat. Daar is Fabiennes moeder. Ze bedankt de mevrouw en helpt Fabienne de auto in. Als ze wegrijden, zegt de moeder van Fabienne met een blik in de spiegel: ‘ Wat een armoe hè.’ ‘Nee mam,’ zegt Fabienne, ‘als je binnenkomt….dan zie je de mooiste tuin van de wereld…net een paradijs.’

(vrij naar ‘De rode bloementuin’  van Han van Uden)

Laatst aangepast op zondag, 19 september 2010 10:06